Overzicht

Kwaliteit

Aan het thema Kwaliteit is invulling gegeven met het begrip “veeleisendheid” uit het rapport “Broedvogels en beheer”. Dit schenkt speciale aandacht aan schaarse en karakteristieke soorten broedvogels als indicatoren voor habitatkwaliteit. Centraal staan de specifieke eisen die sommige soorten broedvogels stellen aan hun leefomgeving.

Er zijn soorten met een ruime en soorten met een smalle biotoopkeus. Hiervoor wordt de term “veeleisendheid” gebruikt. Soorten met een brede biotoopkeus noemen we ‘weinig kritisch’ en soorten met een smalle biotoopkeus ‘kritisch’. Over het algemeen komen in slecht ontwikkelde terreintypen alleen ‘weinig kritische’ soorten. In goed ontwikkelde terreinen komen ook kritische soorten voor. De aanwezigheid van kritische soorten zegt dus veel over de kwaliteit van de broedvogelgemeenschap en het terreintype. De veeleisendheid is niet altijd voor een soort in alle landschapstypen hetzelfde. Soorten kunnen in het ene landschapstype weinig kritisch zijn en in een ander landschapstype erg kritisch. De Gele Kwikstaart bijvoorbeeld is een soort die hoge eisen stelt aan de kwaliteit van graslanden en in nog sterkere mate voor heideterreinen. Op akkers is de soort echter minder kritisch.

De toegekende maat voor veeleisendheid aan soorten is gebaseerd op de huidige situatie in Nederland. De indeling is niet gebaseerd op uitgebreid ecologisch onderzoek en houdt ook geen waardeoordeel in. Het is een praktische indeling, die moet helpen bij het terreinbeheer. De indeling is overgenomen uit het rapport “Broedvogels en beheer”.

Beschrijving van de indicatiewaarden voor veeleisendheid:

1. Weinig kritische soorten. Soorten die relatief weinig eisen aan hun leefomgeving stellen. Deze soorten bewonen een breed spectrum aan vegetatietypen of zijn tevreden met een (zeer) kleine oppervlakte van dat vegetatietype. Het voedselspectrum van deze soorten is meestal breed en/of in Nederland overvloedig aanwezig. Bij verarming van de vogelgemeenschap van een terreintype zijn dit de soorten die het laatste overblijven; soms in onnatuurlijk hoge aantallen. Voorbeelden zijn Meerkoet, Veldleeuwerik, Fitis en Vink.

2. Vrij kritische soorten. Soorten die tamelijk strenge eisen stellen aan hun leefomgeving. Ze bewonen een breder spectrum aan ecotopen dan kritische soorten en hebben een vrij breed voedselspectrum. Deze soorten zijn bij uitstek geschikt om de kwaliteit van een terrein(deel) te bepalen. Het zijn soorten die vaak in redelijke aantallen voorkomen. Voorbeelden zijn Grutto, Kleine Plevier, Geelgors, Roodborsttapuit en Boomklever.

3. Kritische soorten. Soorten die hoge eisen stellen aan hun leefomgeving. Deze vogels hebben een grote variatie aan vegetaties of structuren nodig. Ook is het mogelijk, dat een soort maar een beperkt aantal (zeldzame) vegetatietypen bewoont of dat er een grote oppervlakte van dat vegetatietype aanwezig moet zijn. Kritische soorten stellen hoge eisen aan hun voedsel; bijvoorbeeld grote insecten, hagedissen e.d. of een grote variatie aan onkruidzaden. Bij verarming zijn dit de eerste vogels die verdwijnen. In de meeste Nederlandse natuurgebieden komen ze niet meer voor. Door de lage aantallen spelen toeval en externe omstandigheden een grote rol bij het al dan niet aanwezig zijn. Veel van deze soorten zijn aangewezen als doelsoorten. Voor de beheerder zijn ze de krenten in de pap. Voorbeelden zijn Zwarte Stern, Kwartelkoning, Grote Gele Kwikstaart, Nachtzwaluw, Grauwe Klauwier, Ortolaan én Gele Kwikstaart op heidevelden en hoogvenen.

4. Zeer kritische soorten. Soorten die in Nederland of in een bepaald landschapstype vrijwel zijn uitgestorven. De meeste Nederlandse natuurterreinen voldoen niet meer. Soms kan er nog geschikt biotoop voorkomen, maar ligt het gebied te geïsoleerd om daadwerkelijk bewoond te raken. Voorbeelden zijn Woudaapje, Korhoen, maar ook Kuifleeuwerik in stuifzanden en Kemphaan op heidevelden.

5. Zeer kritische in Nederland uitgestorven soorten. Soorten die hier (vermoedelijk) vroeger wel voorkwamen, maar waarvoor Nederland (ver) buiten het huidige verspreidingsareaal ligt. Voorbeelden zijn Zwarte Ooievaar, Kraanvogel, Zeearend, Goudplevier, Roodkopklauwier en Middelste Bonte Specht.

In het thema Kwaliteit (veeleisendheid) zijn alle soorten en territoria van de vrij kritische, kritische en zeer kritische broedvogels verwerkt. De weinig kritische vogelsoorten blijven bij dit thema buiten beschouwing.

Legenda
Vrij kritische, kritische of zeer kritische vogelsoort met specifieke eisen aan de leefomgeving.

Literatuur
Titel: Broedvogels en beheer. Het gebruik van broedvogelgegevens in het beheer van bos- en natuurterreinen.
Auteur: H. Sierdsema
Jaar: 1995
Uitgave: SBB-rapport 1995-1, SOVON-onderzoeksrapport 1995/04. SBB/SOVON, Driebergen/Beek-Ubbergen.