Overzicht

Holenbroeders

Er is al veel onderzoek gedaan naar de relatie tussen bosstructuur en vogelrijkdom.
De heer L. Tinbergen bracht deze relatie voor bos op de Veluwe al in 1941 treffend in beeld in de eerste druk van het boekje “Vogels in hun domein”.

In grote lijnen zijn structuurkenmerken van bos van invloed op de vogelrijkdom. Hierbij leidt méér verticale structuurvariatie (gelaagdheid), méér horizontale structuurvariatie (heterogeniteit), een grote soortenrijkdom aan houtgewassen, een toename van de hoeveelheid dood hout en een hoger aandeel dikke bomen tot een grotere vogelrijkdom. De bijdrage van één kenmerk afzonderlijk is door de verwevenheid met andere kenmerken vaak niet goed aan te geven. Voor meer informatie wordt verwezen naar het artikel “De betekenis van structuur en beheer van bossen voor vogelrijkdom” (Opdam en Schotman, 1996).

Voor het thema Holenbroeders bekijken we dit zo: waar véél holenbroeders voorkomen (qua aantal soorten en aantal territoria) is de kans groot dat we te maken hebben met bos dat in het algemeen vogelrijk is.

Voor het thema “Holenbroeders” zijn de volgende 24 soorten vogels aangemerkt als holenbroeder: mandarijneend, brilduiker, holenduif, steenuil, bosuil, draaihals, groene specht, zwarte specht, grote bonte specht, kleine bonte specht, gekraagde roodstaart, grauwe vliegenvanger, bonte vliegenvanger, glanskop, matkop, kuifmees, zwarte mees, pimpelmees, koolmees, boomklever, boomkruiper, kauw, spreeuw en ringmus.

Andere vogels die in holen broeden zoals ijsvogel, oeverzwaluw en huismus tellen voor dit thema niet mee, omdat ze niet in bomen broeden.

Legenda

Literatuur
Titel: Vogels in hun domein. Over de vogelbevolking van Nederland in haar samenhang met landschap, plantengroei en dierenwereld.
Auteurs: L. Tinbergen
Jaar: 1943
Uitgave: Scheltema & Holkema N.V., Amsterdam.


 
Titel: De betekenis van structuur en beheer van bossen voor vogelrijkdom.
Auteurs: P.F.H. Opdam en A. Schotman.
Jaar: 1986
Uitgave: Nederlands Bosbouw Tijdschrift, Volume 58 (1/2), pp 21-33.